Kluifje
de originele hondensite met kunst, cultuur en vermaak
DOGTALES plezante hondenverhalen
LEESVOER literaire hondenkrant
LINKS warm aanbevolen adresjes
SPEELS spelletjes als entertrainment
STAMPS spitse oren op postzegels
10 mei 2012 columns:
UITLAATGASSEN
Vandaag is het eindelijk droog. Er waait een frisse wind door het bos. De bloesem van de slee- of meidoorn bedwelmt met haar zoete boeket. Het is te koud voor de tijd van het jaar. Het beukenbos kijkt somber en surrealistisch tegelijkertijd. De frêle frisgroene blaadjes wiegen als lichtende lampionnetjes. De saaiheid van druilerige dagen ervoor is vergeten. De hond maakt er een feestje van.
Uitbundig neust hij rond en pikt allerlei geurtjes op. Hij snuift de sporen van behendige eekhoorntjes en haastige lampreien. Ik ruik driehonderd ooien met besmeurde konten in de kraal. Hij snuffelt met de opgewonden neus onaflatend op de grond om het ene na het andere interessante spoor te volgen. Een Border Collie die hem lange tijd op de hielen zit, signaleert hij niet. Ik adem de dompige lucht van een als kroeg ingerichte legertent van de plaatselijke zweefvliegclub in.
Ik verplaats me met kleine stapjes in langzame cadans. Weg van de stank. De hond heeft het druk met sporenonderzoek en is onnavolgbaar. Een schreeuw. Een onvoorzichtige Beagle rent tegen het mobiele schapennet dat onder stroom staat. Na bijna twee uurtjes rondjes rennen, houdt de hond het voor gezien. Hij heeft zichzelf hondsmoe gemaakt.
Later zet het geurfestijn thuis door. Ongemerkt heeft de hond van de schapenkeutels, waarmee het hele terrein bezaaid ligt, geproefd. Hij verspreidt een walmende reuk. Het opdringerig parfum van de witte sering verdrijft de uitlaatgassen uit de kamer. Nog een geluk dat de tuindeur geopend kan blijven.

PUFFEN
Het was de morgen na de nacht waar merels de boventoon voerden. Zij kondigden met hun zangerige liederen de lente aan. Net als de barometer die 1040 aanwijst. De temperatuur wordt omgezet in groene energie. Kale kruinen laten hun pruiken weer groeien en moedige voorjaarsbloempjes steken hun kopjes net boven het oprukkende gras uit. De uitgelopen wilgenkatjes hebben hun fluwelen bontjasje opgedoft met gelig poeder.
Kleumende kikkers hopsen het voorjaar in. Ze zetten hun eieren in de vijver af en produceren gezamenlijk een enorme transparante klomp kikkerdril. Aan de karavaan zwoegende lijven op de dijk schijnt geen einde te komen. Iedereen wil vitamientjes op doen. De hardlopers puffen van inspanning en de onverwachte warmte. Een enkeling wordt geflankeerd door een hevig hijgende hond die de winter voor de open haard heeft doorgebracht. Honden van passanten die ongevraagd vrolijk deelnemen, worden allerminst op prijs gesteld.
De hond en ik puffen even uit op een bankje. In de wei voor ons puft een aanstaande Galloway in zelf verkozen afzondering. De uiteinden van twee pootjes steken onder haar zenuwachtige staart uit. We zijn getuige van een natuurlijke bevalling. Moeder koe loeit. Er zijn in de kudde waar zij deel van uitmaakt al drie kalfjes geboren. Houterig stappen ze in de wei. De kleintjes lijken net Bouviertjes. Bouviertjes waarmee de hond enerverende plannen heeft. Hij zou ze omcirkelen en stellen.
Als de hond ergens tuk op is, gaat hij op zijn allermooist met de rug naar me toe zitten. En kijkt me, hoofd over zijn schouder gedraaid, veelbelovend aan: toe, mag ‘t? Het is best moeilijk om zijn smeekbede te weerstaan. Maar het verzoek om naar de koetjes gaan kan ik echt niet inwilligen. De hond kijkt bedenkelijk: waarom hem dan aan zo’n verleiding blootstellen? Pf! Flauw hoor. Hij staat op en dwingt me om verder te wandelen.

EEN PERFECTE DAG
Bill Withers zong het op de radio: It’s gonna be a lovely dag. Buiten oogt het lenteachtig zoals je je het voorjaar voorstelt. Een mild zuidelijk briesje jaagt de bloesem uit de Japanse kers. Op de achtergrond tingelt het carillon in de kerktoren. In de uiterwaarden meldt een schuwe koekoek dat hij terug is van weggeweest. Aan de overkant van de rivier rusten runderen onder de schaduw van een oude appelboom. Kauwen pikken gebroederlijk in de vacht van een specifiek rund. Bedaard laat ze de ongenode gasten op haar rug hun gang gaan. Twee kalfjes scheiden zich van de groep af en hobbelen over de grove keien langs het water. De hond, zittend op zijn achterste, volgt hen gebiologeerd.
Een vrachtschip passeert. Het hondenlijf buigt in het voorbijgaan mee zodat hij de kleine zwarte koetjes, van wie hij stellig beweert dat het Bouviers zijn, zo min mogelijk uit het oog verliest. Tevergeefs probeer ik de hond er steeds van te overtuigen dat het toch echt pasgeboren koeien zijn. Aan boord van het schip staan twee grote waakhonden op de boeg. Ze verbreken de stilte met hun diep geblaf. De hond merkt hen niet op. Het blaffen linkt hij onmiddellijk aan de twee kalfjes. Zie je nou wel, zegt zijn aan mij gerichte verwijtende blik. De hond loopt het water in. Is hij van plan naar de overkant te zwemmen om het ‘bewijsmateriaal’ op te halen? Het moet niet gekker worden.
REUTEMETEUT
Het begon onlangs allemaal met onze brave buurhond Sammie, een Friese Stabij, die ‘s morgens in het bos de benen nam. Even was passie de baas. De uitgetelde hond meldde zich uren later op de plek waar de baas en hij voor het laatst samen waren. Gelukkig had niemand zich ermee bemoeid.
Een hond op vrijersvoeten in een voor hem bekend gebied raakt zelden in paniek. Is de hond klaar met zijn zoekopdracht, dan meldt hij zich vanzelf weer. Want goedbedoelde meeneemacties van aardige mensen brengen vaak onrust voor baas en hond met zich mee, plus onnodige kosten voor asielopvang. Zou de hond in een drukbereden stedelijk gebied loslopen, gedesoriënteerd of gewond zijn, dan is het inderdaad veiliger om de hond aan te lijnen. Nu vinden hond en baas elkaar wel weer.
In de lente komen we regelmatig in het wild rondrennende reutjes zonder baas tegen. Dronken van verliefdheid en met de neus op de grond. Gisteren was het een Cocker Spaniel die een geurspoor volgde. Voor hem telde slechts een ding: het teefje vinden dat bij het afrodisiacum hoort. Een andere hondeneigenaar probeerde de hond te vangen om hem bij het politiebureau af te leveren. Omdat de hond onloochenbaar hartstikke smoor was, er geen tekenen van blinde paniek waren, het terrein scheen te kennen, zich bijwijle naar de parkeerplaats begaf waar de auto van zijn baas moest staan, wist ik bijna zeker dat de baas nog ergens in het bos moest rondlopen. Wij zouden de hond wel in de gaten houden.
Nadat wij ons rondje erop hadden zitten, hoorden we een indringende fluittoon. De hond die de hele reutemeteut van snuffelen, inspecteren en vlaggetje planten had doorlopen, was ineens met zijn gedachten weer op aarde beland. Hij snelde blij naar zijn baas die hem met een bak water trouw bij de auto opwachtte. Klaar om te luisteren naar amoureuze verhalen.
HOOP
Ik sta in alle vroegte in een groen weiland wortel te schieten. Donkergrijze wolken met een kleine opening voor een aarzelend zonnetje. ‘Kom zon, we hebben je nodig.’ De zin floept spontaan uit mijn mond. Op commando komt ze tevoorschijn, verwarmt mijn rug. De schatgravende hond trekt ondertussen als een bezetene kluwen brandnetelwortels uit de grond.
Zou hij een voorkeur hebben, vraag ik me af. Bestaat er significant verschil tussen een molshoop, konijnenhol of muizengaatje, behalve de statuur en eetbaarheid van een eventuele prooi? Graaft en wroet het vlotter in de vettige klei, zanderige grond of mulle aarde? Moet het karwei een uitdaging zijn: in de weg liggende boomstammen opzij duwen, stenen verplaatsen, planten- of boomwortels uittrekken? Verkiest hij een nieuw op te starten project of voldoet een halfafgemaakte kuil van een ander ook? Hoe weet de hond of zijn beoogde mol, konijn of muis thuis is? Is het de geur, het ultrasoon geluid of het stampvoeten?
Vandaag bevindt zich het onderwerp van zijn verlangen onder een plak jonge brandnetels. Waarschijnlijk zijn de brandharen nog afwezig, want aan de hond merk ik van geprik niets. Met de bek vol klei probeert hij verbeten zijn klus te klaren. Hij heeft bergen verzet voordat hij liggend gaat woelen, of zijn leven ervan afhangt. Ik geloof dat het clevere diertje allang een veilig heenkomen heeft gezocht. De hond volhardt in zijn graafwerkzaamheden en ik maan hem tot stoppen. Ik zie opluchting. Eigenlijk was de inspanning hem teveel, maar voor een doorzetter is een tevergeefse poging geen optie. Toch is de cirkel rond. De volgende dag produceert de hond namelijk zelf een aanzienlijke hoop: binnengekregen grond landt terug op aarde.

LUCHTWEGEN
Veel mensen liggen nog op een oor. De hond en ik plukken de dag. Er is geen wolkje aan de lucht. Boven onze hoofden ontspint zich een drukke verkeersader. In het veld laat een nijvere mol een spoor achter van molshopen: zeven koepels liggen in een strakke lijn als symbool van ondergrondse stationnetjes. De hond begint vol enthousiasme te ploegen aan de alternatieve tunnel voor de Noord/Zuidlijn.
Terwijl ik geleund tegen een paaltje wacht, turf ik het aantal vliegtuigstrepen. Bij zeventig staak ik de telling. Had ik laatst niet ergens gelezen dat er elke 3 minuten een vliegtuig land of opstijgt? Mijn aandacht verlegt zich naar twee buizerds die gespannen boven mijn gravende hond cirkelen - een achtergelaten gevangen prooi is een kant-en-klare meevaller. Vanuit mijn perspectief lijkt het of de roofvogels in de lucht op een schaakbord spelen. Zouden zij op hun hoogte daar ook weet van hebben of is hun hoopvolle blik enkel naar beneden gericht?
De hond produceert hoge kefjes van onmacht: de mol werkt niet mee aan zijn snode plannen. De hond gaat de diepte in en legt een rit en drie haltes bloot. Na twee uren van hard werken, is hij oververhit en geeft op. Ik stuur hem richting waterkant. Hij arriveert eerder dan ik en wacht op me. Een vragende blik. Lijvige plakkaten stuifmeel zeilen als een omvangrijke vloot op het wateroppervlak. Met een stok drijf ik ze uiteen. De hond kan erin en drenkt zijn bek en poten vol aarde in de rivier. Helder water verzandt in modder.
NESTELEN
Het lijkt of de hond maar wat aanrommelt. Na ogenschijnlijk zinloos gecirkel van linksom en rechtsom in zijn mand, waarbij hij driftig zijn dekentje in de mand ondersteboven of eruit gooit, en de bodem probeert uit te ‘graven’, ploft de hond neer. Hij schuift wat met zijn kin over de rand. Een diepzalige zucht en hij slaapt.
Was al dat voorwerk nu echt nodig? Ja, want schijnt bedriegt. De wolf, kent eenzelfde ritueel voor hij gaat liggen of rusten. Eerst krabt hij het bovenste laagje aarde weg om vervolgens door getrampel in de rondte het groen te pletten. Voilà, zijn nestje is klaar. Hij creëerde zijn eigen oase: een ovaalvormige holte waar zijn gestrengelde lichaam precies inpast.
Honden herhalen instinctief het gedrag van hun verre voorouder. Op zoek naar verkoeling of beschutting graven ze buiten een kuil als zich daar de kans toe biedt. Of ze schrabben in huis de vloerbedekking of het tapijt kaal. Een hond met deze onhebbelijke gewoonte kun je echt blij maken met een set (hand)doeken of een plaid. Hier kan hij het nestceremonieel mee nabootsen, wat mogelijk een kalmerende en ontspannende invloed op de hond heeft.
De twee manden, zijn bedje, kussen én het voeteneind van ons bed voldoen perfect in de ogen van mijn ondoorgrondelijke poolhond. Allicht, ik heb hem lang genoeg bestudeerd om te weten wat hij prefereert. Het onlangs aangeschafte antislip matje in de gang beantwoordt niet aan zijn standaardwensen. Het matje is ook niet voor de hond bedoeld, maar weet hij veel, het ligt wel op een toppositie: dicht bij de voordeur. Het is aandoenlijk om te zien hoe hij, in gekromde houding met alle vier de pootjes dicht bijeen, rondtolt om er een comfortabele ligplek van te maken. Vijf minuten later verlaat hij de onderzochte en afgekeurde plek om genieterig in zijn mand te gaan uitrusten.
NIEUW
De lente lonkt. In ons postcodegebied is er een opvallend verse voorraad pups aangevoerd. Snoezige minihondjes met een nog blanco geheugenchip die hun baasje zelf voor het grootste gedeelte mag invullen. Bij natuurtalenten verloopt de opvoeding als vanzelf; zij genieten volop van hun nieuwe aanwinst. Andere (onervaren) eigenaars zie je worstelen. Zij moeten wezenlijk meer moeite doen om het gewenste resultaat dat ze voor ogen hadden, te verkrijgen.
Tijdens het emotionele relaas van een vertwijfelde eigenaresse - een vet hip modepopje - lees ik tussen de regels door dat ze teveel bezig is om het haar hondje naar de zin te maken. Goed bedoeld, maar in combinatie met onervarenheid en onzekerheid is een pupje zo verpest. ‘Mijn hele jeugd heb ik van een knuffelhondje gedroomd en nu ik eindelijk op mijn roze wolk zit, is die zo anders als ik me had voorgesteld. Ik begrijp niet waarom ze zo’n vals kreng is, in plaats van gewoon lief. Ik doe toch alles voor haar?’ Ik kan me haar deceptie goed voorstellen. Maar met het hondje is weinig mis, behalve dat ze door en door verwend is. Het meisje had echter zelf niet door dat ze zich liet ringeloren.
Ik probeer haar met een kwinkslag duidelijk te maken dat ze zich gedraagt als een adorerende fan. ‘Je hoeft toch niet aan alle grillen toe te geven? Mocht jij van je ouders altijd alles?’, vraag ik. ‘Nuh-uh.’ Ze schudt heftig met haar hoofd van nee. ‘Het is ongeveer net zoals grenzen stellen bij de opvoeding van kinderen’, stel ik. ‘Snap je?’ Haar gezichtje klaart op. Ineens begrijpt ze het: ‘Ik moet een zorgzame, onvermurwbare hondenmama worden.’ Nadenkend: ‘en honden moeten ook leren, net als schoolgaande kinderen. Jippie, dan gaan we samen op cursus in matching trainingspakjes.’ Ze neemt het hondje onder haar arm, en hup, weg is ze. Met zoveel positivisme gaat het ‘mams en dochterlief’ vast goed komen.
VOORBODE
De lente hangt in de lucht. Je voelt het, je ruikt het, je hoort het en je ziet het. Ik kijk naar de tot de verbeelding sprekende indrukwekkende V’s die uit zuidelijke richting komen aanvliegen. In het vrije veld vindt de hond het geweldig om een eind met ze mee te rennen. ’s Nachts word ik geregeld wakker door het orakelen van teruggekeerde vogelzwermen. Ze lijken allemaal de wilde tuin naast die van ons te bevolken: een kakofonie van jewelste. Ze hebben elkaar, en ons, klaarblijkelijk veel te vertellen.
Vanachter het slaapkamerraam volg ik een zwarte kraai met nesteldrang die toegewijd twijgjes in de smalle schoorsteenpijp op het naastgelegen dak stopt. De zon komt op en gluurt door de lamellen. De scherpe zonnestralen tijgeren de hondenvacht. Het werkt vervreemdend. Zomaar ligt er een wild dier naast je bed. De hond opent zijn ogen en tilt zijn kop lodderig omhoog. De zon heeft hem wakker gekust. Het buitenspektakel en het vroege daglicht brengen hem in verwarring. Is het al tijd om op te staan? ‘Blijf nog maar even liggen, het is nog vroeg’, smoezel ik.
In de loop van de dag loopt de temperatuur op naar 14 graden. In de tuin zie ik voor het eerst dit jaar dansende muggen. Dat voorspelt goeds. De tuindeur mag openblijven. De hond sjouwt zijn speelgoed naar buiten. Hint, hint. Ik pak een door hem uitgezochte bal en we dribbelen samen een poosje. Al snel raakt hij oververhit. Geen wonder met die wollige winterjas. Hijgend en puffend houdt hij het na één potje voor gezien. Hij verdwijnt onder de haag en ik zoek een gunstig plekje en koester me in het zonneoventje.
DE
WIND MEE
Op het landweggetje langs de teruggetrokken rivier baggeren we door het slijk. De wind bereikt orkanische krachten. De regen striemt tegen mijn gezicht. Storm raast langs mijn oren, een hels kabaal. Wanneer ik me omdraai om te kijken of de hond nog volgt, is het ineens stil. Een aangename luwte, we hebben de wind mee.
De rivier heeft zich uitgeschud als een natte hond. Op het strandje in de bocht ligt een brede strook stro vermengd met voornamelijk plastic afval en glas. Bergen botervlootjes (massaal weggewaaid tijdens een ontbijtje aan dek?), halfvolle limonadeflessen, ledige wijn- en drankflessen (geconsumeerd tijdens een romantische picknick op de wallenkant?) opgebruikte toiletblokhoudertjes (zou de rivier daar echt schoner van zijn geworden?) en kapotte emmers (onverhoopt overboord gevallen tijdens of na een boenbeurt?), een fietsband waar de hond kort mee worstelt en een intacte vogelverschrikker die hij argwanend links laat liggen.
Voor de hond is die overvloed aan ‘speelgoed’ een eldorado, zoiets als een ballenbak voor kinderen moet zijn. Na de gummiband pakt hij een gestrand bloempotje om het direct hebberig te verruilen voor het onderstel van een Barbiepop. Dan vindt hij een ballon. Raadselachtig hoe die alle heftigheid heeft overleefd. De hond schept zijn neus eronder en de ballon vliegt een eindje het weiland in. Hij amuseert zich kostelijk ondanks het noodweer.
We draaien eerder om. Het is gekkenwerk om tegen de elementen op te boksen. Op de terugweg worden we vooruit geblazen. De ballon wordt meegevoerd door de wind. De hond speelt een spelletje met een solitaire kraai die zich welwillend laat opjagen. Na een poenerige showvlucht scheert hij, overmoedig geworden, te laag over de grond. Een miscalculatie. De hond is een fractie van een seconde te laat, maar hapt nog net in het uiterste puntje van de staart: een prachtige zwarte veer met een groenige glans prijkt tussen zijn bijtertjes. Ik steek hem in zijn halsband. Trots paradeert hij met zijn trofee rond. Zijn dag kan niet meer stuk: hij heeft onbetwistbaar de wind mee vandaag.

METAMORFOSE
Verkleden, we deden of doen het allemaal graag. Voor de Zuiderling is Vasteloavend de tijd bij uitstek waarin volwassenen zich legitiem mogen vermommen. Doe je dat niet, dan voel je je in je alledaagse kloffie misplaatst. Dus hup, haal die gelegenheidskleding uit de mottenballen.
Op straat passeren ons fraai gekostumeerde figuren. Tiroler jodelaars vergezeld van in dirndl gehulde Heidi’s wier pronte voorgevel bedekt is met een bloembak vol minitulpjes, een fietser verpakt als kromme banaan, brallende corpsballen die - op het laatste moment aangestoken door het vasteloavendvirus - gauw iets ludieks bij elkaar hebben geflanst: elke student draagt een Livingstone helm van bamboeblad, een te krap beige colbert en de kniekousen over de broekspijpen gehesen. In de hand een loep en op hun rug hangt een bordje met de tekst: weej ontdekke alles. En een meisje, uitgedost als theeleut, dat het hele jaar door nijverig is geweest met haar zelfgemaakte jurk van bijeen gespaarde theezakjes. Zulke originele pekskes vind ik zelf het tofst omdat de schik eraf spat.
De hond accepteert de luidruchtige carnavalsvierders zolang hij zelf geen slachtoffer van een verkleedpartijtje wordt; steeds meer honden moeten tegenwoordig geloven aan de opdirkdrift van hun baasjes. Bezopen gemaskerde of onherkenbaar geschminkte personen vindt de hond gekke snuiters waar hij niets van moet hebben. Hij geeft de voorrang aan pluche feestbeesten. Bruine beren, knalgele kuikens, kobaltblauwe smurfen, grijze muizen en lapjeskatten passeren de revue. Uit de bonte optocht van pluizige dieren plukt de hond feilloos een Goofy, Pluto of Dalmatiër. Als een blijk van herkenning en waardering schurkt hij zich tegen hun synthetische vacht aan. Want de inspanning van honden om te vermenselijken wordt redelijk normaal gevonden, maar een menselijk poging om te verhondsen zie je zelden. Zo’n dappere metamorfose verdient terecht een knuffel als beloning.
WINTERBLUES
De meerderheid heeft zijn zin gekregen. Na het gekwakkel ging de temperatuur alsnog fiks onderuit. Over het hele land ligt een weliswaar laagpolig, doch wit korrelig tapijt. In Friesland heerste kort elfstedenkoorts.
Een containerschip vaart voorbij. Het draagt de naam ‘Antarctica’, ik verzin dit niet. Aan de snorharen van de hond hangen miniatuurijspegeltjes. Zijn kin ziet eruit alsof die in de poedersuiker is gedoopt. Hij schijnt er geen last van te hebben. Zonder dat ik mijn loopneus kan zien, weet ik dat die knalrood is. Mijn halfbevroren vingers kan ik nauwelijks bewegen. Het is afzien bij -14.
De hond probeert een gletsjer replica te bedwingen die ontstaan is door de golven die op de oever zijn uitgewaaierd. Zijn achterpoten slippen, terwijl hij met zijn voorpoten omhoogt krabbelt. Het lukt hem wonderwel. Normaal gesproken mag hij zich nooit op verraderlijk, bevroren water begeven. Het ijs kan zomaar onbetrouwbaar zijn.
Terug bij het stoplicht gebaart een vrouw meerdere malen haar bejaarde Retriever te laten zitten voor het oversteken. Hij toont zich onwillig. Met een koekje probeert ze hem over te halen. Hij volhardt in zijn staande houding. De kwijldraden die uit zijn begerige bek lopen, bevriezen acuut. Zij heeft niet door dat zijn weigering alles te maken heeft met de steenkoude ondergrond die hij onder geen beding tegen zijn dun behaarde achterhand wil voelen.
Aan de overkant van de straat danst een dashond op het trottoir. Het is een komisch gezicht. De oorzaak is minder leuk. Luie bewoners hebben pal voor hun huis een overdreven lading zout bestrooid. Hadden ze de stoep niet even milieuvriendelijk kunnen vegen voor dat beetje? Het helpt mij eraan te herinneren onderweg goed op te letten. Thuis likt de hond zijn koude voeten schoon. De volgende wandeling moet ik niet vergeten een vochtig doekje mee te nemen om mogelijke brandende voetzooltjes mee te blussen.
DATEN
1974. Haar nieuwe vriendje had een hond. Althans dat dacht ze aanvankelijk, voordat ze hem kende. Elke dag liet hij een Ierse Setter in haar straat uit. Ze verdacht hem er sterk van de hond speciaal voor haar huis te laten treuzelen. De jongen zag er aantrekkelijk uit: een vriendelijk gezicht omlijst door grove donkere krullen. Ze hadden een paar keer oogcontact waarna hij de moed bijeen had geraapt om aan te bellen.
Uit recent Brits onderzoek kwam naar voren dat wanneer je een nieuwe liefde zoekt, je een hond moet nemen. Je knoopt moeiteloos een gesprekje aan vanwege de voor de hand liggende gesprekstof. Hij wist dat toen zo, zonder research. Ze aaide zijn hond en het ijs was meteen gebroken. Ze wandelden wat af samen. Van het een kwam het ander: ze kregen verkering. Pas toen ze voor het eerst bij hem thuis hadden afgesproken, kwam ze erachter dat hij de hond van zijn tante geleend had. Via via had hij naar haar geïnformeerd en was zo te weten gekomen dat ze van honden hield. Ze vergaf hem dat hij haar om de tuin had geleid. Iemand die zoveel moeite voor je deed, dat was pas romantisch.
De relatie hield geen stand. Ze voelde zich gevleid, maar was niet hoteldebotel. Had hij de verkeerde hond uitgekozen? Uit eerder genoemd onderzoek blijkt namelijk dat vrouwen zich vooral aangetrokken voelen tot mannen met een Golden Retriever, een Border Collie of een Labradoodle. Had hij dat destijds geweten, had hij beslist een andere hond geleend.
VOOROORDELEN
Een jonge moeder loopt achter een kinderwagen die ze zachtjes op en neer laat deinen. Naast haar huppelt een American Staffordshire Terriër. Hij is een zorgeloos en blij wit pupje met een beige kring om zijn linkeroog en een gewichtige vlek op zijn flank. Hij doet me onmiddellijk denken aan Petey (een American Bulldog), omdat hij regelrecht uit de film The Little Rascals lijkt te zijn weggelopen.
Onbekende passanten lopen met een boog om het stel heen. De vrouw wordt aangesproken. Vermoedelijk door een kennis want de man gedraagt zich familiair. Hij negeert het mollige pupje dat met een bijna kruipende houding en laag kwispelend staartje om aandacht vraagt. Sterker nog, de man kiest tactloos de andere kant van de wandelwagen door luid en aanstellerig tegen de kersverse baby die met zijn aanhoudende gehuil alle aandacht opeist, te praten.
Even later, de man is dan al van het toneel verdwenen, passeert hen een wandelaar met een Bearded Collie. De hond valt direct uit naar de pup. Het zal niet bij die ene keer blijven, want telkens als er een hond voorbijloopt, reageert deze fel door te grommen of te blaffen. Is het de terriërgeur die hen niet aanstaat, zijn stigmatiserende reputatie die angst inboezemt, of de onbevreesde blik waardoor bij soortgenoten de stoppen doorslaan?
De pup snapt er niets van. Hij wil enkel aardig gevonden worden. Ik vind het zielig. Zou hij voelen dat anderen niets van hem moeten hebben, hem bij voorbaat al afschilderen als boosdoener? Voor zo’n eigenaar moet dat op zijn zachts gezegd toch ook allesbehalve leuk zijn, stel ik me zo voor. Ik hoop dat het pupje ondanks zijn negatieve ervaringen met de buitenwereld open en vrolijk blijft. En vooral dat hij de bestaande vooroordelen niet bevestigt door een vechtersmentaliteit te kweken van ‘wacht maar tot ik later groot ben’. Zou u het hem kwalijk nemen?
SILENCIO
Doodse stilte. De vrouw kan haar eigen gedachten horen. Ze is overmand door verdriet: hun geliefde hond is gisteren gestorven. De hond was haar oogappel die gezelligheid bood en zorgde dat ze zich veilig voelde. Ze wonen nogal afgelegen en haar demente man komt nog zelden thuis. Kinderen hebben ze niet. Bij haar beginnen de jaren ook te tellen. Daarom vindt ze het oneerlijk om een nieuwe hond aan te schaffen.
De pendule die ze van haar moeder heeft geërfd tikt wreed de tijd weg, alsof de klok haar wil wijs maken dat het leven gewoon doorgaat. Die enige traceerbare klank maakt de leegte des te schrijnender. Ze is vervreemd van het rumoer in en om het huis. Voorheen lette ze daar niet op. Bij onraad sloeg de hond aan. Een sporadisch langsfietsende toerist, de postauto die het privéweggetje opreed, of een verdwaalde kat in de tuin werden hoorbaar opgemerkt door de waakse hond. Op de gangbare geluiden die bij het oude huis horen, reageerde hij niet.
De vrouw voelt zich niet op haar gemak. Door het openstaande raam hoort ze geritsel in de rododendron die naast het huis groeit. Ze legt de stapel klamme handdoeken die ze wilde strijken neer en loopt naar beneden. De houten traptreden kraken akelig onder haar voeten. Met bonzend hart loopt ze door de woonkeuken naar buiten. ‘Is daar iemand?’, klinkt haar angstige stem. Een merel scheert schetterend onder de struik vandaan. Enigszins gerustgesteld sluit ze de openstaande tuindeur die toen de hond nog leefde altijd openstond. Hoort ze nu sluipende voetstappen in de kamer? En stond de deur naar de hal straks ook al op een kier? Alles lijkt verdacht. Ze aarzelt geen moment. Ze pakt de telefoon en sluit zich in op het toilet. Daar toetst ze het opgezochte nummer van het dierenasiel in. Er zit vast een bejaard keffertje ter adoptie. Want haar besluit staat vast: er komt weer een hond.
SFINX
Een gigantisch regenfront teistert al weken ons land. Voor mij geldt: alles beter dan gladheid, sneeuw en ijzel. En stoutmoedige honden zoals de mijne, laten zich door geen enkel weertype weerhouden. Tijdens een regenbui zijn ze zo in beslaggenomen door al dat gesnuffel en geren, dat het lijkt of ze tussen de druppels door balanceren.
Zo galoppeert geregeld een blinkend zwarte hond aan ons voorbij. Hij is zich volslagen onbewust van ons en de omgeving. Zonder op- of omkijken, koerst hij af op zijn vaste stekkie: de hoek van het bosvak dat grenst aan het open veld. Daar blijft de spichtige hardloper als een versteende sfinx liggen wachten op zijn dogwalker. Soms zit hij rechtop als een ongenaakbaar standbeeld en tuurt ongeduldig het pad af om te kijken of de gezapige man met de tennisbal al verschijnt. Die vertrekt tegelijkertijd met hem vanaf de parking, echter hij volgt de standaardroute op zijn dooie akkertje.
Terwijl de hond roerloos ligt te wachten, laat hij zich door niets of niemand afleiden. Ga je voor hem staan, dan rekt hij zijn hals zodat hij toch het pad in de gaten kan houden. Oogcontact maakt hij nooit. Zodra hij de dogwalker in het vizier krijgt, begint de hond te trillen: zijn hele lichaam is één gespannen snaar. Eindelijk steekt de man zijn hand in de jaszak en toont het voorwerp waar het allemaal om draait: de gele tennisbal. Pas op het veld werpt hij die. Een kwartier lang is de hond gefixeerd op halen en brengen. Zijn lichaam is als een opgedraaide wekker die afwindt: het levert een topprestatie. Dit is precies wat de hond wil: hevig verlangen, alles geven en daarna finaal opgebrand zijn. De laatste vijf minuten in de stromende regen sjokt hij met zichtbare wallen onder zijn ogen van uitputting. De vurige ogen verraden genot. Dit is zijn ding.
©db 2007-2011 www.kluifje.com